J.J. Nieuwmans, Stalenramen fabriek Alta

Al die profielen voor die stalen ramen, die moesten gezaagd worden, met de hand. Dat was nog een heel karwei. Kort daarna kregen we een zaagmachine. En het moest gelast worden, dat was allemaal autogeen lassen vroeger. Je had eigenlijk te weinig ruimte in die zaak om wat te gaan maken. We werkten daar met een man of 25. Begin 40 verhuisden wij naar de nieuwe fabriek, Binckhorstlaan 301 in Den Haag onder de naam Stalenramenfabriek Alta.

M.J.W. Coenen, Carrosseriefabriek Coenen

“Centraal in de grote hal in het nieuwe pand was de schuifdaklijn, de middenlijn waren schuifdaken en make-over. Dat ging in stapjes. Ze kwamen rechts binnen en dan ging de bekleding er uit en dan een stukje naar achteren toe en dan werd het schuifdak ingebouwd op drie verschillende plekken en dan ging de auto de spuiterij in om weer gespoten te worden en dan kwam hij terug en dan werd de bekleding er weer ingezet en afgewerkt. Zoals ik me kan herinneren konden er geparkeerd 100 auto’s in de hal.”

M. Danckaerts-Godschalk, Succes agenda

“Ze hadden veel, de Succesagenda, die kwam er bij, toen de Nederlandse Boekenclub, de Nederlandse Luisterclub, platen die ze gingen uitbrengen, de Universiteit voor zelfstudie, die zie je nog weleens bij bepaalde series op TV, dat zijn die blauwe banden. De SEB, Succes – Efficiency – Bibliotheek, dat waren zakenboeken. Dan had je Visafoon, dat waren talencursussen met grammofoonplaten. Reproducties en posters gingen ze maken en we hadden natuurlijk heel veel winkels”.

G. Molier, Boekbinders en Linieerders

“We hebben altijd de grootste werkgever gehad sinds het begin van de 19de eeuw in de Landsdrukkerij. Die is uitgegroeid tot de grootste opdrachtgever voor het Haagse grafische leven, drukkerij en zetterij, binders, etc. Daar heeft Molier ten volle van geprofiteerd. Met name op het gebied van liniëren. Daar zijn wij groot in geworden. Liniëren is een vakgebied dat volledig uitgestorven is”.

J.G.C. Schmitz, Escher constructiewerkplaatsen

“Ik zat in de ketelbouw, de apparatenbouw. Daar moesten dan bouwtekeningen van gemaakt worden voor de fabriek. Er moest ook nog een hele materiaaluittrek gemaakt worden; de platen moesten gerold worden, een front – moest geperst worden – dat gebeurde bij een ander bedrijf. Aan de ketel komen verschillende aan- en afvoerleidingen met meestal bovenin een mangat. Normaal gesproken kon je vanboven erin of van de zijkant. Dat ligt eraan of het voor de veiligheid beter was. Ja, want als je helemaal naar beneden moet dan moet je toch wel een stuk hijsgereedschap hebben om je te laten zakken. Het is helemaal open van binnen.”

De Sierkan het verhaal van de heer Visser

“Mijn betrekking bij De Sierkan, 6 mei (1940) kwam ik dienst en 10 mei brak de oorlog uit…” “We leverden ook melk aan de Duitsers.. Hadden we al veertien keer melk geleverd. Per week de rekening ingeleverd en nog geen geld ontvangen. Werd ik er op uitgestuurd…”
Later werkte dhr. Visser in de melkfabriek aan de Laakhaven.
“De fabriek bestond uit twee gedeelten. Het oude gedeelte bestond uit de machinekamer, melkontvangst en botermakerij… Het nieuwe gedeelte uit de flessenfabriek en een mooie ontvangstzaal, vooral voor excursies”.

R.L. Haak, wasserij De Zwitsersche

“Ja, de Zwitsersche, het was voor mij natuurlijk een openbaring, ik schrok er ook wel een beetje van. Ik kan je wel zeggen, je moest verduiveld hard werken. Er werd je niks cadeau gegeven, als jongetje van 16. Het was behoorlijk aanpakken en ze betaalden ook erg goed, want voor een jongetje van mijn leeftijd 45 gulden in de week, vond ik een hele aardige betaling, in 1953.”

De familie Van den Broek, automatische suikerpot

“Het ontstaan van de suikerpotten, ik weet niet of ik dat helemaal weet, maar dat is eigenlijk ontstaan, doordat mijn opa, in militaire dienst in de wapenkamer zat. Toen is hij op het idee gekomen van de suikerpotten”. “Opa was van oorsprong koperslager … en wat hij ook maakte, dat waren kroonluchters, van die echte grote koperen kroonluchters, voor de kerken”.