Echo’s van de werkvloer
René en Harry Brandenburg, passement
In januari 2026 hadden we een gesprek met de tweelingbroers, Harry en René Brandenburg. Zij kwamen ons op het spoor door de Haagvaarder over het passementbedrijf Th. Brandenburg, hun grootvader. Via via was het verhaal tot de familie en ook tot de broers doorgedrongen. Dit mondde uit in een informatief gesprek over het bedrijf van hun vader Jan Brandenburg. Er bleek namelijk naast het bedrijf van Aad Brandenburg uit Haagvaarder 127 nog een tweede passementbedrijf Brandenburg te zijn geweest.
Sinds wanneer zijn de Brandenburgers in Den Haag neergestreken?
“Mijn opa is geboren in Amsterdam in 1886 en zijn vrouw in 1881 in Zaandam. Ze hebben in Waddinxveen gewerkt.”
De Zwabberfabriek in Waddinxveen heb ik begrepen. Weten jullie daar iets van?
“Nee, heel weinig. Ik weet alleen dat ze aan de Gouwe zaten en dat ze een hele grote kat hadden die de grootste rattenvanger was. En later zijn ze naar Den Haag gegaan, daar was het afzetgebied en de klanten beter. Gewoon omdat dat economisch wat beter ging.
Mijn opa heeft in 1930 een passementbedrijf overgenomen. Dat is nooit zo in goede aarde gevallen bij mijn vader Jan, omdat mijn vader eigenlijk alles moest doen. De machines aanschaffen voor zijn vader, allerlei andere zaken regelen. Zijn vader kocht het, maar hij was eigenlijk de uitvoerende man. Hij heeft dus later besloten om voor zichzelf te beginnen.
Wij waren er vaak. Mijn vader was sociaal bewogen. Hij had ook een aantal dames, die voor hem werkten, die een kind hadden, die niet getrouwd waren. Dat was best wel ongewoon voor die tijd. Piet, die voor hem werkte, was minder begaafd. Mijn vader was zijn tijd ver vooruit.”
Hoeveel mensen werkten er dan ongeveer?
“Maximaal drie tot vier, niet meer en dat wisselde dan ook wel eens, die kwamen naar de Noorderbeekstraat. Daar had hij het bedrijf. U moet zich voorstellen, als je de oude Noorderbeekstraat had dan had je zo’n huizenrij, maar daartussen had je ook poorten. Achter die huizenrij had je oude paardenstallen. Daar had hij zijn bedrijf en tegenover hem zat een meubelmaker. Daar maakte hij samen met die man een bankstel en alles wat erbij hoorde.
Hoe zag dat er binnen uit, u zegt het was een oude paardenstal? Was dat gewoon een grote open ruimte?
“Ja, twee pakhuizen waren dat, links en rechts.”
“Elektriciteit en waterleiding was er allemaal niet, dat heeft hij dus allemaal zelf aangelegd en ook een vloer gestort samen met de broer van mijn moeder. Een betonvloer neergelegd en daar stonden een paar weefgetouwen op, spoelmachine, andere machines.“
Hij had een aantal machines en hoe werden die machines aangedreven?
“Elektrisch, behalve de weefmachine, ook beveiligd elektrisch dat was heel leuk. Zodra er een draad brak dan gingen de spoelen ‘on hold’ en dan kon hij die draden maken. Als wij zo’n streng zagen dan trokken we aan een draadje en dan hadden we zes keer een stop omdat we het verkeerde draadje hadden of dat die hele streng door de war raakte. Maar hij pakte hem er zo uit. Hij heeft ze later allemaal kruislings, die garens maakte hij in die strengen, die deed hij dan kruislings dan pakte je een draad en als die dan kruiste dan moest je de volgende draad pakken. Dan kwam je altijd naar het begin. Want als je te laat was met die weefmachine, de elektrische, dan trok alles kapot. Nou dan had je een ramp.”
“Het was een hele koude winter ook, in 62-63 werkte Harry bij hem. Ja, dan moest ik buiten die koorden spinnen en dat was over 30 meter dan, dat was van het ene gebouw naar het andere gebouw en dan half buiten. Nou je handen vielen eraf. We maakten op een gegeven moment zulke dikke kabels van 20 – 30 meter. Dat waren van die kabels die, zeg maar… in plaats van een trapleuning, een houten trapleuning maakte die van die dikke kabels, in allerlei kleuren. Ook voor musea, om voor schilderijen te hangen. Dat was een pilaar en dan zat er zo’n mooi dik koord voor.”
Voordat je dat in de kleur had dan moest je dat buitenspinnen. Want hier zit altijd een kern in en daar moest je overheen spinnen. Dan moest je zo over die 30 meter, zo gelijkmatig mogelijk moest je dat doen. Die molen, die werd dan elektrisch aangedreven. Daar zaten dan, ik denk wel 20 draden aan, met zo’n gat. Die draden werden dan afzonderlijk aangedreven, die maakten als het ware de kabel. Dan kwam hij er langs met die zijde, met die katoen. En dan moest je heel voorzichtig lopen. Ik zie hem nog lopen daar zo. Nou, pap mag ik ook een stukje doen? Nee, Ik heb het natuurlijk wel gedaan, maar ik kon nooit die perfectie halen die hij had.
De Gouden Koets, daar heeft mijn vader veel voor gedaan. Daar heb je de bekleding voorop en je hebt het wapen en al die kwasten en dat soort dingen, dat heeft mijn vader gedaan toen Beatrix ging trouwen. En toen werkte ik(Harry) ook bij mijn vader, dat is de enige keer dat we flink verdiend hebben, maar wel een jaar moeten wachten op ons geld. Dat was een ramp in die tijd.
René en ik moesten toen we 8 of 10 jaar waren elke week naar Delft fietsen om 25 gulden per week te halen, 40 weken lang, omdat een klant 1.000 gulden schuld had bij mijn vader. En na 13 weken was er natuurlijk helemaal geen geld meer. We reden hiervandaan, we woonden in de Jasmijnstraat en dan waren we op de rand van Rijswijk met Delft en rook je Delft, de Gistfabriek en winkelcentrum De Boogaard, dat was er nog niet, dus dat was een grote open vlakte en we hadden ook geen goede winterkleren.
Mijn vader maakte gobelins en wapens en gordijnklossen. De klossen, die houten klossen die eronder zitten, die draaide hij ook zelf. Zo met een beiteltje. Hij deed het allemaal 100% selfmade.
In Huis ten Bosch hangen er zulke mooie klossen.
Dan moest je ook alles verven dan moest je ook precies in de kleur en als het oud was en verschoten moest je het ook in die kleur maken. Gobelins, dat was heel speciaal werk. Die repareerde hij. Daar waren wel eens schroeivlekken op gekomen of wat dan ook en dan kon hij dat repareren. Dan spande hij dat helemaal op en dan ging dat met de hand, meestal van achteren benaderen, want hij zei: ‘dan kan ik de knoopjes goed wegkrijgen. Als ik van bovenaf werk dan zit ik met knoopjes’. Dan moesten die kleuren gemaakt worden en met de hand helemaal ingesteld worden. Daar was hij expert in.
“Kan je nog herinneren dat hij voor de Canadese ambassade zo’n tapijt heeft gemaakt net zo groot als dit met al die mapleleafs.
Hij werkte voor alle grote zaken, Pander, Mesker, dat waren bedrijven die in feite grote inrichtingen deden voor banken, maar ook voor Jan en alleman. Als je maar geld had. Voor de Amerikaanse ambassade heeft hij lelies op het plafond, Franse lelies gemaakt. Die werden eerst in karton gemaakt, modellen. Dan zat hij ’s avonds – hij zat nooit stil – mijn moeder vond dat natuurlijk drie keer niks, want het leverde natuurlijk geen gulden per uur op, bij wijze van spreken. Mijn moeder was zakelijker in die zin. Pa verdiende nog geen cent af en toe. Hij was maanden soms bezig met die machines aan het maken.”
Maar had hij in die tijd nog ander personeel?
“Ja, hij heeft twee keer vast personeel gehad, maar hij had kisten boven staan die afgesloten waren en die waren op een gegeven moment open. En toen heeft hij gezegd, ik wil geen vast personeel meer. En het was eigenlijk ook te duur.
Ja, want dat bleek ook wel bij Aad, zijn broer, die hadden toch ook wel steeds mensen die een soort van, nou, misschien kregen ze een kleine uitkering en verdienden daar wat bij. Maar het was toch altijd een beetje los volk, hoor.”
Wat ik vanuit de Kamer van Koophandel stukken heb gehaald is dat hij in 1938 begonnen is, officieel.
“Dat klopt ook, want hij had eerst een zaak in de Indigostraat. In de Indigostraat daar hebben mijn ouders een kind verloren, op 1 januari 1945, omdat daar een V2 is ingeslagen en ook is daar zijn hele werkplaats en al zijn machines…. kapot, dat was allemaal weg. Hij was niet thuis. Hij was eten aan het halen, omdat er natuurlijk helemaal niets was. En hij was ondergedoken. ‘s Middags om half zes is die V2 neergekomen op nieuwjaarsdag. Mijn moeder is daar onder het puin vandaan gehaald met het dode kind van vier maanden in de armen. Door de luchtdruk is hij overleden, uiterlijk had hij geen verwondingen. Hij was vier maanden oud. Moeder was zwaargewond. Mijn vader kon ook niet zijn eigen kind begraven. Hij kon zich niet laten zien daar, want dan werd hij opgepakt. Hij heeft er wel een gigantische klap van gekregen, ook psychisch. Daar heeft hij zijn hele leven de littekens van gedragen. Dat kind is begraven door wildvreemde mensen. Hij is in een algemeen graf gekomen op de Binckhorst”.
Zijn ze later weer teruggegaan naar de Indigostraat?
“Nee, ze kregen een huis toegewezen in de Jasmijnstraat.
Na de oorlog is hij al vrij snel naar de Noorderbeekstraat gegaan. Misschien heeft hij in de oorlog nog bij zijn vader gewerkt, voor zover er werk was.”
En was er toen nog werk in die oorlogstijd?
“Ja, sokken breien.”
Daar hadden ze ook machines voor?
“Dan maakte hij die machines zo anders dat die dat konden. En de Duitsers waren natuurlijk ook wel gecharmeerd van mooie embrassen op hun uniform, die heeft hij ook wel gemaakt, maar hij werkte niet zo graag voor de Duitsers.”
Maar er was misschien ook geen materiaal?
“Dat heb ik eigenlijk nooit zo gehoord dat materiaal niet voor handen zou zijn geweest. Mijn vader had enorme voorraden, weet ik, altijd in die Noorderbeekstraat. Die hele zolder lag vol met katoen en wol. Mijn vader investeerde dan in partijen die hij zijn hele leven nooit op kon.”
Hij had dus eerst bij zijn vader gewerkt.. en toen is hij er op een gegeven moment uitgegaan. Kreeg hij toen nog iets mee of is hij helemaal van nul af aan begonnen?
We zijn allebei wel handig, René heeft elektrotechniek gestudeerd en ik werktuigbouw, maar wat mijn vader maakte daar kunnen wij niet bij. Wat hij allemaal kon en zonder een schoolopleiding. En hij maakte alles zelf, ex centers, nou als wij op school een ex center moesten uitrekenen dan hadden we een wiskundige opgave, maar hij deed het uit zijn hoofd en het werkte allemaal.”
Hij kreeg een opdracht van iemand en dan ging hij dat maken?
“Ja. Het meest mooie, maar ook het meest tragische vind ik, dat hij duizend meter maraboe moest maken voor V&D voor een bepaalde prijs. Dat had hij gedaan. En dan moest hij nog eens een keer vijfhonderd meter maken, maar dan voor de helft van de prijs.
Als je een grote opdracht had, dan moest er altijd wat van af. En de volgende opdracht was eigenlijk dat je het nog minder kreeg. Dat was heel erg sterk.”
Maar eigenlijk was het op den duur meer lonend, denk ik, al dat handwerk?
“Nee, op een gegeven moment kwam dat ook allemaal uit Italië, dat spul. En veel uit Frankrijk ook.”
“Ik (Harry) heb ook nog vijf jaar bij mijn vader gewerkt tot hij tot de conclusie kwam dat het eigenlijk niks voor mij was. Mijn moeder bad god dat ik toch ergens anders ging werken. Overigens heb ik daar ook nooit spijt van gehad, hoor. Ik heb toch wel een hele goeie carrière bij Rijkswaterstaat gehad. We hebben beiden bij Rijkswaterstaat gewerkt. Wat ook weleens tot hilarische misverstanden leidde natuurlijk. Allerlei beveiligingssystemen gemaakt voor keringen, tunnels, bruggen, etc. Het was zo divers. Je had een hoge verantwoordelijkheid voor je eigen werkzaamheid. Moest je ook afdragen natuurlijk. Maar ja, ik kan niet anders zeggen dan dat ik een goud leven heb gehad.”
De geschiedenis van beide passementenbedrijven Brandenburg is gedeeltelijk vastgelegd en van beide bedrijven zijn ook machines naar het Textielmuseum in Tilburg gegaan. Daar zijn deze machines nog steeds in werking te zien.

















