Historisch overzicht

1589 Het koor van de leegstaande Kloosterkerk wordt ingericht als geschutgieterij.

1616 De geschutgieterij staat onder beheer van de familie Wegewaarts

1621 De gieterij krijgt een eigen ingangspoort aan het Lange Voorhout nadat het schip van de kerk aan de Contra-Remonstranten ter beschikking is gesteld.

1665-1668 De bekende architect Pieter Post bouwt in opdracht van de Staten van Holland het eerste eigen gebouw, het ‘Giethuijs’, voor de geschutgieterij aan het huidige Nieuwe Uitleg, de eerste fabriek van Den Haag. Dan nog aan de rand van het dorp Die Haghe. Het is een U-vormig complex waarvan de beide vleugels tot het water reiken, zodat een afgesloten binnenplaats ontstaat. In de zuidwestelijke vleugel bevindt zich het kantoor en de woning van de geschutgieter. De rijk gedecoreerde voorgevel is aan de Nieuwe Uitleg zijde, die overigens pas in 1706 wordt aangelegd.

1668 Het eerste geschut wordt gegoten in de nieuwe fabriek.

1747 De Staten van Holland en West Friesland vaardigen een resolutie uit om de geschutgieterij te moderniseren.

ca.1750 Uitbreiding naar ontwerp van geschutgieter C. Cranz en controleur J.C. Prevost

1756 Tijdens de periode van geschutgieter J. Verbruggen wordt voor het eerst in Nederland massief geschut gegoten en uitgeboord.

1770 Op aanbeveling van stadhouder Willem V ontbieden de Staten geschutgieter Jean Maritz, uit het bekende geschutgietersgeslacht, om naar Den Haag te komen.

1770-1776 Diverse aanpassingen en verbouwingen naar idee van de nieuwe geschutgieter Jean Maritz, met een nieuw giet- en boorhuis.

1773 26 februari vindt de eerste goot van geschut door Maritz plaats.

1862 Start met voorzien van oude gietijzeren vuurmonden van een nieuwe ziel door de loop met brons vol te gieten en opnieuw uit te boren.

1867 In de geschutgieterij werken ca. 40 mensen

1871 De geschutgieterij komt onder beheer van het Departement van Oorlog.

1879 De aanwezige stoommachine van 16 PK vervangen door een van 30 PK

1886 De beide stoomketels worden vernieuwd.

1904 De werkzaamheden van de gieterij worden gestopt.

1905 Gemeente bekijkt of het gebouw een museum kan worden, is niet haalbaar. Deel van het complex, de gieterij, gesloopt.

1945 Bij het Engelse bombardement wordt het gebouw ernstig beschadigd en na de oorlog volgt sloop. Alleen in de kelder van het nieuwe complex dat hier verrees, resteert nog een fragment van de 17de-eeuwse fundering. Het wapen uit de gevel is verplaatst naar het gebouw van het Ministerie van Defensie aan de Kalvermarkt. De zijpoort van het oude gebouw is in de zijgevel van het Ministerie aan de Bagijnestraat geplaatst.

Geschutgieters

1665 Johannes Niepoort
1704 Jan Crans
1730 A. Crans
1745 Cornelis Crans
1751 Erven van Cornelis Crans onder toezicht van Jan Crans Jean George Amadée Maritz
1756 J. Verbruggen
1770 Jean Maritz
1806 Louis Ernst Maritz
1825 Jean Jacques Maritz
1871 Staatsbedrijf

 

Producten

Kanonnen
houwitsers
mortieren
Tot het midden van de 18e eeuw wordt niet massief gegoten, maar plaats men een kernstang dat het uitboren vereenvoudigde.
Met de komst van Maritz wordt volledig overgegaan op massief gieten, een nieuwe techniek voor die tijd.
lantaarns, lichtkoepels vuurtorens
koperen lampen voor kustverlichting

Afbeeldingen

Locatie(s)

Bronmateriaal

  • F.H.W. Kuipers, Geschiedenis der Nederlandsche artillerie van de vroegste tijden tot op heden, deel IV, Nijmegen 1874
  • L. Hanau, “De Rijksgeschutgieterij van bronzen geschut te ’s-Gravenhage en de familie Maritz”, Die Haghe jaarboek 1895, p. 103-150
  • K. Ottenheym, “De geschutgieterij van Pieter Post in Den Haag”, Leids Kunsthistorisch Jaarboek 1984. Bouwen in Nederland, Delft 1985, p.307-329.
  • C. Dumas, De fabricage van kanonnen in het midden van de achttiende eeuw, Delft 1995
  • Verslagen Kamer van Koophandel
  • Archief Gemeentebestuur 1851-1936, bnr. 0353, agendastukken
  • C. de Kler, “De Haagse geschutgieterij”, Haagvaarder augustus 1999, nr. 22
  • “Maritz (1736-1807)”, J.J. Havelaar, Onverdoofbare ondernemingsgeest. Portretten van Haagse ondernemers, Den Haag 2003, p.29-35.